De sprookjesschrijver

Er was eens een sprookjesschrijver die de hele dag sprookjes aan het schrijven was. Van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat. Soms zelfs nog midden in de nacht.

Op een dag hoorde de sprookjesschrijver een tik tegen zijn raam. Omdat hij net met een belangrijk sprookje bezig was, deed hij net alsof hij het niet hoorde. Hij schreef onverstoorbaar verder aan zijn belangrijke sprookje. Een paar tellen later hoorde hij weer een tik tegen de raam van zijn schrijfkamer. Maar nu veel harder. Boos stond hij op en zei in zichzelf: “Potverdrie! Wat is dit nu weer?¨ Met een paar stevige passen was hij bij zijn werkkamerraam en keek naar buiten om te zien waarom hij die tik hoorde. In de verte zag hij zijn vijver met schrijfinkt dat nog helemaal niet leeg was. Toen keek hij naar onderen en zag een klein jongetje met blonde krulletjes hem lachend aankijken.

Boos riep de schrijver: “Wat moet dat? Waarom gooi jij iets tegen mijn raam?”, want hij vermoedde dat het jongetje iets tegen zijn raam had gegooid. Het jongetje antwoordde: “Meneer de schrijver, komt u buiten spelen? Het heeft geregend en de zon schijnt nu”. “Wat een onzin”, zei de sprookjesschrijver, “ik moet belangrijke sprookjes schrijven, die mensen moeten lezen. Ik heb helemaal geen tijd om buiten te spelen. Ik stop pas met schrijven als mijn hele intktvijver is leeggeschreven.”

Woest gooide hij zijn raam dicht en ging weer achter zijn schrijfbureau zitten. Hij mompelde in zichzelf: “Wat een lariekoek! Ik ben daarstraks al buiten geweest om mijn inktpotje te vullen”. Hij pakte zijn kroontjespen en wilde weer aan zijn belangrijk sprookje verder gaan schrijven. Hij had nog geen letter geschreven, toen hij weer een tik hoorde. Weer rende hij naar zijn raam, opende het en gooide zijn schoenen naar het jongetje dat er nog steeds stond. Het jongetje lachte heel hard: “Haha, nu moet u wel naar buiten om de schoenen op te halen. Dan kunnen we meteen samen in de warme plassen spelen!”

Het jongetje had gelijk. De sprookjesschrijver had nu best koude voeten. Stampvoetend liep de schrijver naar beneden. Niet al te hard natuurlijk, want stampen zonder schoenen aan, kan best pijnlijk zijn. Dus stampte hij niet al te hard naar buiten en meteen stond hij met zijn blote voeten in een warme plas regenwater.

Triomfantelijk zei het jongetje tegen de schrijver: “Fijn hè?” Het jongetje had gelijk. De schrijver vond die warme plas water best fijn aanvoelen aan zijn vermoeide voeten. Omdat hij niet wilde toegeven dat het jongetje gelijk had, mompelde hij: “Een beetje is het wel fijn”.

“Kom”, zei het jongetje, “dan gaan we naar een modderpoel met warme modder. Dat is ook fijn aan je voeten”. Met een beetje tegenzin volgde de schrijver het jongetje naar een modderpoel verderop in de straat. Samen banjerde ze door de warme modder en samen hadden ze stiekem veel lol. De sprookjesschrijver vond het best fijn als de warme, glibberige modder tussen zijn tenen gleed.

“Heb je wel eens een hele regenboog gezien?”, vroeg het blonde jongetje grinnikend, want hij had gezien dat de schrijver best veel schik had in het modderspel. “Nee”, zei de schrijver “maar ik heb er wel ooit een sprookje over geschreven. Een sprookje waarin een avonturier een pot met goud vond. Onderaan de regenboog”. “Dat is bij een halve regenboog”, zei het jongetje. “Ik bedoelde een hele regenboog. Een cirkel!” Dat had de schrijver nog nooit gezien en was er eigenlijk best nieuwsgierig naar. Misschien kon hij er een sprookje over schrijven? Hij volgde het jongetje dat naar een bergkloof liep met een hele lange waterval.

Samen keken ze het ravijn in. Het jongetje wees naar de waterval en zei: “Kijk eens goed. Doordat het water van de waterval zo hard naar beneden valt, spatten de waterdruppels zo hard omhoog dat er een regencirkel ontstaat. Op school heb ik geleerd dat er een regencirkel of een regenboog ontstaat als het zonlicht door kleine waterdruppels schijnt. Het licht breekt dan in alle mogelijke kleuren die er zijn”. En warempel. In het ravijn was er een regencirkel te zien. De sprookjesschrijver was verbaasd en zijn hart maakte een sprongetje. “Wat mooi”, zei de schrijver en hij viel bijna in het ravijn omdat hij de cirkel beter wilde zien. Gelukkig kon hij nog net een stap terug doen.

“Dit is echt bijzonder”, zei de schrijver. “Ja hè”, zei het jongetje en vervolgde zijn zin met “en ik kan je nog meer leuke dingen laten zien”. Dat kon het jongetje inderdaad, maar dat vertel ik wel een andere keer. De sprookjesschrijver ging minder sprookjes schrijven, want hij vond de vriendschap met het jongetje leuker dan het schrijven van sprookjes. ’s Ochtends schreef hij nu zijn belangrijke sprookjes en ’s middags kwam het jongetje langs om met de schrijver avonturen te beleven. Misschien schrijf ik daar nog een keertje over, want de inktvijver van de sprookjesschrijver is nog steeds niet leeg geschreven.